|
Toegang tot
informatie
bepaalt de status
Er was eens een molenaar die een prachtige dochter had. Op een dag was
ze kleren aan het wassen in de beek, toen de koning aan kwam rijden. De
molenaar liep naar hem toe. ‘Dit is mijn dochter, majesteit.’ zei de
molenaar, terwijl hij een diepe buiging maakte. ‘Zij is het mooiste
meisje in uw koninkrijk.’ ‘Ze is inderdaad schattig,’ zei de koning. De
molenaar was zo vereerd dat hij met de koning aan het praten was, dat
hij ineens iets geks zei. ‘Ze is niet alleen mooi,’ zei hij
opschepperig, ‘maar ze kan ook goud spinnen van stro.’ De koning was erg
onder de indruk. ‘Breng haar meteen naar mijn paleis,’ zei hij. ‘Als zij
echt goud kan spinnen van stro, dan zal ik met haar trouwen.’
Toen ze
bij het paleis aankwamen, werd het meisje naar een lege kamer gebracht.
de koning gaf zijn soldaten opdracht om een flinke berg stro in de kamer
te leggen, en liet een spinnewiel brengen. ‘Spin voor zonsopgang van dit
stro goud,’ beval de koning. ‘Anders moet je sterven, en je hele familie
ook.’ De soldaten sloegen de deur dicht. Het doodsbange meisje begon te
huillen. ‘Wat moet ik nu doen?’ snikte ze. ‘Ik kan helemaal geen goud
spinnen van stro. Mijn vader was aan het opscheppen!’ Plotseling
verscheen er uit het niets een klein mannetje. ‘Wat geef je mij als ik
er goud van spin?’ vroeg hij. ‘Dan geef ik je mijn halsketting,’
antwoordde het meisje meteen.
Het mannetje ging achter het spinnewiel
zitten en begon te spinnen. Al heel vlug had hij al het stro tot
gouddraad gesponnen. Toen greep hij zijn beloning en verdween in een
groene wolk. Bij zonsopgang ging de deur open en stapte de koning naar
binnen. Hij was verrukt toen hij de gouddraad zag. De molenaarsdochter
slaakte een zucht van verlichting. Maar die avond bracht de koning het
meisje naar een nog grotere kamer, die tot het plafond gevuld was met
stro. ‘Spin voor zonsopgang dit stro tot goud,’ beval de koning. ‘Anders
moet je sterven, en je hele familie ook.’ De deur werd dichtgeslagen.
Het meisje barstte in tranen uit, en opnieuw verscheen het kleine
mannetje. Wat geef je mij als ik er goud van spin?’ vroeg hij. ‘Mijn
armband,’ antwoordde het meisje. Het mannetje ging achter het spinnewiel
zitten en begon te spinnen. Al snel had hij het stro tot gouddraad
gesponnen. Toen griste hij brutaal de armband weg en verdween in een
groene rookwolk. De volgende ochtend was de koning verrukt toen hij al
het goud in de kamer zag. De molenaarsdochter dacht dat de koning nu wel
tevreden zou zijn. Maar hij was erg hebberig. Hij dacht dat nog een
kamer met stro genoeg goud zou opleveren voor de eerste honderd jaar.
Die avond bracht de koning het meisje naar de grootste zaal van het
paleis. De zaal was volgepropt met stro. ‘Spin voor zonsopgang dit stro
tot goud,’ beval de koning. ‘Anders moet je sterven, en je hele familie
ook. ’En toen ging de deur met een klap dicht en barstte het meisje in
tranen uit. Opnieuw verscheen het mannetje. ‘Wat geef je mij als ik er
goud van spin?’ vroeg hij. ‘Ik heb niets meer om te geven,’ snikte het
meisje. ‘In dat geval moet je beloven dat je mij jouw eerstgeboren kind
geeft,’ zei het mannetje. Het meisje stemde toe. Als het zover was, zou
ze wel een plan bedenken om haar kind te houden, dacht ze. Het mannetje
ging achter het spinnewiel zitten en begon te spinnen. Al heel vlug had
hij het stro tot gouddraad gesponnen. Zodra hij klaar was, verdween het
mannetje weer in een groene rookwolk. De volgende ochtend kon de koning
zijn ogen haast niet geloven toen hij al het goud zag. Eindelijk deed
hij wat hij beloofd had en vroeg hij de molenaarsdochter ten huwelijk.
Ze stemde meteen toe, en ze kreeg een heel gelukkig leven als koningin.
Na een tijdje was ze haar belofte aan het kleine mannetje vergeten. Maar
op een dag, kort nadat de koningin een zoontje had gekregen, verscheen
het mannetje weer. De koningin schrok enorm. ‘Ik kom voor het kind,’ zei
het mannetje. De koningin smeekte het mannetje om haar haar kind te
laten houden. Ze beloofde dat hij zoveel halskettingen en armbanden kon
krijgen als hij maar kon dragen. ‘Beloofd is beloofd,’ zei het kleine
mannetje. ‘Maar, omdat u het zo vreselijk vindt, krijgt u een kans. Als
u binnen drie dagen mijn naam kunt raden, mag u het kind houden.’ Meteen
nadat het mannetje in een groene rookwolk was verdwenen, riep de
koningin haar bedienden. Ze stuurde ze op reis door het hele koninkrijk
om te vragen of iemand het kleine mannetje misschien kende. Toen haastte
ze zich naar de koninklijke bibliotheek om alle vreemde namen op te
zoeken die er waren. De volgende ochtend kwam het kleine mannetje terug.
De koningin noemde alle vreemde namen op die ze had gevonden. ‘Is het
Sopteen?`Is het Slurpaard? Is het Momperik?’ vroeg ze. Maar welke naam
ze ook noemde, het kleine mannetje schudde alleen maar met zijn hoofd.
Toen ze alle namen op de lijst had opgenoemd, verdween het mannetje in
de groene rookwolk. De koningin was ten einde raad. Maar ineens kreeg ze
een idee. Misschien had het kleine mannetje wel een heel gewone naam! Ze
liet een lijst maken met de onderdanen in het koninkrijk. Toen het
mannetje de volgende ochtend terugkwam, begon de koningin opnieuw. ‘Is
het Abraham? Is het Albert? Is het Andre?’ Maar bij elke naam schudde
het mannetje zijn hoofd. Tegen de tijd dat de koningin bij Zacharias
was, wist ze dat het een hopeloze zaak was. Ze had alle namen op de
lijst voorgelezen, maar de goede naam was er niet bij. Het mannetje
verdween weer in de groene rookwolk. De koningin bleef de hele nacht op
en probeerde een naam te bedenken die ze nog niet genoemd had. En toen,
vlak voor zonsopgang, stoof een van de bedienden de kamer binnen. ‘Ik
heb nieuws voor U, majesteit,’ zei hij, en maakte een diepe buiging.
‘Gisteravond reed ik door het bos en hoorde ik een vreemd geluid. Ik
ging kijken en ik zag een klein mannetje dat om een kampvuur danste. en
hij zong er dit liedje bij: ‘Wat een geluk dat niemand weet, dat ik
Repelsteeltje heet.’
De koningin was dolgelukkig en gaf de bediende een zak met goud. Meteen
nadat ze dit had gedaan, verscheen het mannetje weer. ‘Hebt u mijn naam
geraden?’ vroeg hij. ‘Is het Ouwedwaas?’ vroeg ze. ‘Nee!’ riep hij. ‘Is
het Pruikebol?’ vroeg ze. ‘Nee!’ riep hij. ‘Is het...’ De koningin
aarzelde even. ‘Is het Repelsteeltje?’ Het mannetje werd paars.
‘Aaaaagh!’ brulde hij, waarbij hij woedend met zijn voeten op de grond
stampte. Hij stampte zo hard, dat zijn voet dwars door de vloer ging. Er
klonk een harde knal en het mannetje verdween in een groene rookwolk. En
niemand heeft hem ooit teruggezien.
Antwoord: Zo is het, noem het ACCESSORIZE...
|